01-02-2010 Valuebeleggers kunnen rekenen op outperformance
Er is veel onderzoek gedaan naar de toegevoegde waarde van een bekende strategie: valuebeleggen. Daarbij kopen beleggers systematisch aandelen die door gedesillusioneerde marktpartijen van de hand gedaan worden.
Soms terecht maar vaak ook niet. Tussen deze doorgaans zeer laag gewaardeerde aandelen zitten bedrijven die beleggers achteraf veel te laag ingeschat hebben. Beleggers die deze aandelen weten op te sporen en die over een voldoende rechte rug beschikken om tegen de consensus in te gaan, blijken bijzonder goede resultaten te boeken. Het is waar dat de valuemethode een sterke performance laat zien. Is dat altijd zo?
Kan de valuebelegger rekenen op consistente resultaten door de jaren heen?
Efficiënte markten
Lange tijd overheerste de gedachte dat markten efficiënt waren. Alle informatie die voor de koersvorming van bijvoorbeeld aandelen relevant was, werd door beleggers goed verwerkt. Daardoor waren de aandelenkoersen een goede afspiegeling van hun fundamentele waarde.
Het selecteren van individuele aandelen werd als zinloze bezigheid afgedaan. Zonde van de tijd en energie omdat het onmogelijk zou zijn om ondergewaardeerde aandelen te vinden. Een intelligente belegger kon veel beter indexfondsen kopen.
Midden jaren tachtig zijn er haarscheuren ontstaan in het heersense dogma van efficiënte markten. Met de komst van betrouwbare databases en computers die deze data doelmatig konden bewerken, ondervonden beleggers dat er wel degelijk praktisch uitvoerbare en logische beleggingsstrategieën waren die waarde toevoegen.
Erkenning
De belangrijkste en meest lucratieve onder deze strategieën is de valuestrategie. Inmiddels heeft deze strategie de erkenning gekregen die het verdient. Een goede indicatie hiervoor is het feit dat fondsendatabase Morningstar de valuestrategie erkent. Het blijft belangrijk om kritisch te zijn.
Het mag dan wel zo zijn dat valuebeleggen op de langere termijn toegevoegde waarde levert maar is dit altijd het geval? De wetenschappers Chan en Lakonishok hebben in het januari/februari 2004 nummer van de gezaghebbende Financial Analysts Journal de effectiviteit van de value-strategie afgezet tegen haar tegenpool: de groeistrategie.
In de periode 1969-2001 is de outperformance van de valuestrategie gemiddeld 16,5% per jaar voor Amerikaanse smallcapaandelen. Belangrijker is het dat in slechts 5 van de 32 onderzochte jaren de valuebelegger het slechter deed.
Uitzonderlijk goed
Alleen als het beurssentiment extreem uitbundig is zoals bijvoorbeeld tijdens de internethype, is de relatieve performance van value minder. Dat wordt overigens in de jaren nadat de bubbel leegloopt meer dan goedgemaakt.
Ook wordt in het onderzoek gekeken of de valuebelegger het slechter doet als het beurssentiment uitgesproken negatief is. Sommigen beweren namelijk dat valuebeleggers uitzonderlijk goede resultaten boeken omdat zij willens en wetens risico opzoeken door aandelen te kopen met een hoge béta.
Als die bewering juist is, moet verwacht worden dat die hoge bèta-aandelen in een negatief beursklimaat slechter performen dan het marktgemiddelde. Chan en Lakonishok tonen echter het tegendeel aan. Tevens tonen zij aan dat de valuebelegger goede resultaten boekt op de Europese en Aziatische beurzen.
Al met al kan de valuebelegger met een hoge mate van betrouwbaarheid zeggen dat hij op outperformance mag rekenen.
